“Het is een prachtige bruiloft,” zei Lucious tegen hem. “Alles waar ik van hou: goed eten, nog betere wijn, volop dienstmeisjes voor later.”
“Kijk uit wat je zegt, Lucious,” zei Thanos.
“Ik heb een beter idee,” antwoordde Lucious. “Waarom kijken we niet samen naar die mooie bruid van je, terwijl ze tussen zoveel mannen door danst? En aangezien het Stephania is, kunnen we wel wedden om met wie ze allemaal naar bed is geweest.”
Thanos’ handen balden zich tot vuisten. “Ben je hier alleen om problemen te veroorzaken? Want als dat zo is, dan kun je oprotten.”
Lucious’ glimlach werd breder. “En hoe zou dat eruit zien, jij die de erfgenaam van de troon van je bruiloft trapt? Dat zou niet best aflopen.”
“Niet voor jou.”
“Vergeet niet wie je bent, Thanos,” beet Lucious.
“Oh, ik weet wie ik ben,” zei Thanos op gevaarlijke toon. “Dat weten we allebei, nietwaar?”
Dat leverde hem een vage flikkering in Lucious’ ogen op. Zelfs als Thanos het niet zeker zou hebben geweten, zou dat de bevestiging zijn geweest: Lucious wist over de omstandigheden rond Thanos’ geboorte. Hij wist dat ze halfbroers waren.
“Vervloek jou en je huwelijk,” zei Lucious.
“Je bent gewoon jaloers,” kaatste Thanos terug. “Ik weet dat je Stephania voor jezelf wilde, en nu ben ik degene die met haar trouwt. Ik ben degene die niet wegrende in het Stadion. Ik ben degene die heeft gevochten op Haylon. We weten allebei wat ik nog meer ben. Dus wat blijft er voor jou over, Lucious? Jij bent slechts het tuig waar de mensen in Delos tegen beschermd moeten worden.”
Thanos hoorde gekraak toen Lucious’ hand zich om zijn kristallen drinkbeker sloot en kneep tot de drinkbeker verbrijzelde.
“Je wil graag de lagere klassen beschermen, nietwaar?” zei Lucious. “Nou, denk hier maar eens over na: terwijl jij je bruiloft aan het plannen was, heb ik dorpen verwoest. En dat zal ik blijven doen. Sterker nog, terwijl jij morgenochtend nog in je bed ligt, trek ik erop uit om weer wat boeren een lesje te leren. En er is niets dat je eraan kunt doen, ongeacht wie je denkt dat je bent.”
Thanos wilde Lucious slaan. Hij wilde hem slaan en hem blijven slaan tot er niets meer van hem over was behalve een bloedige veeg op de marmeren vloer. Het enige dat hem tegenhield was de aanraking van Stephania’s hand op zijn arm. Haar dans was voorbij.
“Oh, Lucious, je hebt je wijn geknoeid,” zei ze met een glimlach waar Thanos jaloers op was. “Dat kan toch niet. Ik laat één van mijn dienstmeisjes meer voor je halen.”
“Ik haal mijn eigen wijn wel,” antwoordde Lucious tandenknarsend. “Zij hebben deze voor me gehaald, en kijk wat ermee is gebeurd.”
Hij liep weg, en Stephania’s hand op zijn arm weerhield Thanos ervan om hem achterna te gaan.
“Laat hem,” zei Stephania. “Ik heb je al gezegd dat er betere manieren zijn, en die zijn er ook. Vertrouw me.”
“Hij mag niet zomaar wegkomen met alles dat hij heeft gedaan,” drong Thanos aan.
“Dat zal hij ook niet. Maar bekijk het op deze manier,” zei ze. “Met wie wil je deze avond liever doorbrengen? Lucious, of mij?”
Dat toverde een glimlach op Thanos’ lippen. “Jou. Zeker jou.”
Stephania kuste hem. “Goed antwoord.”
Thanos voelde haar hand in de zijne glijden, en ze trok hem in de richting van de deuren. De adel liet hen passeren, en hij hoorde hier en daar gelach over wat er straks zou gebeuren. Thanos volgde Stephania terwijl ze hem naar zijn kamers leidde. Ze duwde de deur open en liep in de richting van de slaapkamer. Daar draaide ze zich naar hem om. Ze sloeg haar armen om zijn nek heen en kuste hem intens.
“Je hebt geen spijt?” vroeg Stephania terwijl ze hem losliet. “Je bent blij dat je met me bent getrouwd?”
“Ik ben heel gelukkig,” verzekerde Thanos haar. “En jij?”
“Het is alles dat ik ooit heb gewild,” zei Stephania. “En weet je wat ik nu wil?”
“Wat?”
Thanos zag haar omhoog reiken, en haar jurk viel golvend naar beneden.
“Jou.”
***
Thanos ontwaakte door de eerste stralen zonlicht, die door de ramen naar binnen vielen. Naast zich voelde hij de warmte van Stephania’s lichaam. Eén van haar armen lag om hem heen terwijl ze tegen hem aan lag. Thanos glimlachte, en voelde de liefde in zich opwellen. Voor het eerst in een lange tijd voelde hij zich weer gelukkig.
Als hij het gekletter van harnassen en het gehinnik van paarden niet had gehoord, had hij zich weer tegen Stephania opgekruld en was hij weer in slaap gevallen. Of hij had haar gewekt met een kus. Maar in plaats daarvan stond hij op, en liep hij naar het raam.
Hij was net op tijd om Lucious het kasteel te zien verlaten. Hij reed aan het hoofd van een groep soldaten, wimpels wapperend in de wind, alsof hij een ridder op een missie was in plaats van een slager die zich voorbereidde om een weerloos dorp aan te vallen. Thanos keek hen na, en wierp toen een blik op Stephania, die nog steeds lag te slapen.
Stilletjes begon hij zich aan te kleden.
Hij kon dit niet laten gebeuren. Dat kon hij niet, zelfs niet voor Stephania. Ze had het gehad over betere manieren om met Lucious af te rekenen, maar wat hield dat precies in? Beleefd doen en hem wijn aanbieden? Nee, Lucious moest tegengehouden worden, nu meteen, en er was slechts één manier om dat te doen.
Zachtjes, voorzichtig om Stephania niet wakker te maken, glipte Thanos de kamer uit. Toen hij buiten was rende hij naar de stallen, en riep hij naar een bediende om hem zijn wapenrusting te brengen.
Het was tijd voor gerechtigheid.
HOOFSTUK TWEE
Berin kon de opwinding voelen. De nerveuze energie was voelbaar op het moment dat hij de tunnel in stapte. Hij volgde Anka door het ondergrondse gangenstelsel, met Sartes aan zijn zijde. Hij passeerde wachters die respectvol naar hem knikten, rebellen die zich van hot naar her haastten. Hij liep door de Wachterspoort en voelde wat het verzet had bereikt.
Nu, zo leek het, hadden ze een kans.
“Deze kant op,” zei Anka, gebarend naar een uitkijkpunt. “De anderen wachten op ons.”
Ze liepen door stenen gangen die eruit zagen alsof ze altijd al hadden bestaan. De Ruïnes van Delos, diep onder de grond. Berin liet zijn hand over het gladde gesteente glijden, bewonderend op de manier waarop alleen een smid dat kon. Hij verwonderde zich over hoe lang deze tunnels al bestonden, over wie ze had gebouwd. Misschien dateerden ze zelfs uit het tijdperk van de Ouden, lang geleden.
En dat deed hem denken aan de dochter die hij had verloren.
Ceres.
Het gekletter van hamers op metaal en de plotselinge hitte van vuur rukte Berin uit zijn gedachten. Hij zag een tiental mannen zwoegen, druk in de weer met het produceren van borstplaten en korte zwaarden. Het herinnerde hem aan zijn oude werkplaats, aan dagen toen zijn familie nog niet verscheurd was.
Ook Sartes staarde naar de werkende mannen.
“Ben je in orde?” vroeg Berin.
Sartes knikte.
“Ik mis haar ook,” zei Berin. Hij legde een hand op Sartes’ schouder, wetend dat hij aan Ceres dacht, die altijd bij de werkplaats had rondgehangen.
“Dat doen we allemaal,” merkte Anka op.
Even stonden ze daar met zijn drieën, en Berin wist dat ze allemaal beseften hoe veel Ceres voor hen had betekent.
Hij hoorde Anka zuchten.
“Het enige dat we kunnen doen is blijven vechten,” voegde ze toe, “en wapens blijven smeden. We hebben je nodig, Berin.”
Hij probeerde zich te concentreren.
“Doen ze alles dat ik heb gezegd?” vroeg hij. “Verhitten ze het metaal voldoende voor het blussen? Anders wordt het niet hard.”
Anka glimlachte.
“Dat kun je na de meeting zelf zien.”
Berin knikte. Op deze manier kon hij zich in ieder geval nog nuttig maken.
***
Sartes liep naast zijn vader en achter Anka terwijl ze hun weg door de tunnels vervolgden. Er waren hier beneden meer mensen dan hij kon bevatten. Mannen en vrouwen verzamelden voorraden, oefenden met wapens, en liepen door de gangen. Sartes herkende een aantal van hen als voormalige dienstplichtigen, bevrijd uit de greep van het leger.
Ze kwamen uit in een spelonkachtige ruimte, voorzien van stenen sokkels waar misschien ooit standbeelden op hadden gestaan. In het licht van flikkerende kaarsen kon Sartes de leiders van het verzet zien, die al op hen stonden te wachten. Hannah, die het niet eens was geweest met de aanval, keek nu zo blij dat het leek alsof zij degene was geweest die het had voorgesteld. Oreth, die nu als één van Anka’s belangrijkste plaatsvervangers fungeerde, leunde met zijn slanke postuur tegen de muur, glimlachend in zichzelf. Sartes spotte het forse silhouet van Edrin, de voormalige havenwerker, bij de rand, en hij zag Yeralts glinsterende sieraden. De zoon van de koopman leek bijna misplaatst hier. Ze lachten en maakten grapjes met elkaar.
Ze zwegen toen ze naderden, en nu kon Sartes het verschil zien. Voorheen hadden ze bijna met tegenzin naar Anka geluisterd. Maar nu, na de hinderlaag, zag hij respect in hun ogen. Voor Sartes zag ze er nu nog meer uit als een leider. Haar rug was recht, en ze kwam zelfverzekerder over.
“Anka, Anka, Anka!” begon Oreth, en al snel begonnen de anderen mee te doen, zoals de andere rebellen ook hadden gedaan na het gevecht.
Sartes voegde zich bij hen. De naam van de leider van het verzet galmde door de ruimte. Pas toen Anka om stilte gebaarde stopten ze.
“We hebben het goed gedaan,” zei Anka, terwijl er ook op haar gezicht een glimlach verscheen. Het was voor het eerst sinds het gevecht dat Sartes haar had zien glimlachen. Ze was te druk geweest met zorgen voor het vervoeren van de slachtoffers vanaf de begraafplaats. Ze had een oog voor detail, en haar talent bloeide op in het verzet.
“Goed?” herhaalde Edrin. “We hebben ze verpletterd.”
Sartes hoorde de doffe dreun van zijn vuist tegen zijn handpalm toen hij zijn punt benadrukte.
“We hebben ze verwoest,” stemde Yeralt in, “dankzij jouw leiderschap.”
Anka schudde haar hoofd. “We hebben ze samen verslagen. We hebben ze verslagen omdat we allemaal onze bijdrage hebben geleverd. En omdat Sartes ons de plannen heeft gebracht.”
Sartes voelde hoe zijn vader hem naar voren duwde. Dat had hij niet verwacht.
“Anka heeft gelijk,” zei Oreth. “We zijn Sartes veel verschuldigd. Hij heeft ons de plannen gebracht, en hij was degene die de dienstplichtigen wist te overtuigen om zich bij ons aan te sluiten. Het verzet heeft nu meer leden dankzij hem.”
“Half-getrainde dienstplichtigen,” zei Hannah. “Geen echte soldaten.”
Sartes keek naar haar. Ze was er vanaf het begin af aan al op tegen geweest dat hij mee deed. Hij mocht haar niet, maar daar ging het niet om. De rebellen waren allemaal deel van iets dat groter was dan zij zelf.
“We hebben ze verslagen,” zei Anka. “We hebben een gevecht gewonnen, maar dat is niet hetzelfde als het Rijk verpletteren. We hebben nog een lange weg te gaan.”
“En ze hebben nog altijd een heleboel soldaten,” zei Yeralt. “Een lange oorlog tegen hen zou ons wel eens heel veel slachtoffers kunnen kosten.”
“Je telt de kosten nu?” kaatste Oreth terug. “We hebben het hier niet over één of andere zakelijke investering, waarbij je de balansgegevens wil zien voor je toezegt.”
Sartes kon de ergernissen horen. Toen hij voor het eerst bij de rebellen was gekomen, was hij in de veronderstelling geweest dat ze een groot, verenigd iets waren, dat alleen maar dacht aan de noodzaak om het Rijk te verslaan. Inmiddels was hij erachter gekomen dat het ook maar gewoon mensen waren, allemaal met hun eigen dromen en wensen. En dat maakte het alleen maar indrukwekkender dat Anka manieren had gevonden om hen bijeen te houden na Rexus’ dood.
“Het is de grootste investering die er is,” zei Yeralt. “We geven alles dat we hebben. We riskeren onze levens, in de hoop dat het allemaal beter zal worden. Als we falen, dan loop ik net zoveel gevaar als jullie.”
“We zullen niet falen,” zei Edrin. “We hebben ze al eens verslagen. Dat zullen we nog een keer doen. We weten waar ze zullen aanvallen en wanneer. We kunnen hen elke keer opwachten.”
“We kunnen nog meer doen,” zei Hannah. “We hebben de mensen laten zien dat we ze aan kunnen. Dus waarom nemen we niet terug wat van ons is?”
“Wat had je in gedachten?” vroeg Anka. Sartes kon zien dat ze het overwoog.
“We heroveren de dorpen, één voor één,” zei Hannah. “We schakelen de soldaten die er zijn uit voor Lucious in de buurt komt. We laten de mensen zien wat er mogelijk is, en er zal hem een vervelende verassing te wachten staan wanneer ze zich tegen hem verzetten.”
“En wat als Lucious en zijn mannen hen doden omdat ze zich verzetten?” wilde Oreth weten. “Wat dan?”
“Dan laat het gewoon zien hoe kwaadaardig hij is,” hield Hannah vol.
“Of de mensen zien dat we hen niet kunnen beschermen.”
Sartes keek om zich heen, verrast dat ze het idee serieus namen.
“We zouden mensen in de dorpen kunnen achterlaten zodat ze niet bezet kunnen worden,” suggereerde Yeralt. “We hebben de dienstplichtigen nu bij ons.”
“Ze zouden het niet lang volhouden als het leger komt,” kaatste Oreth terug. “Ze zouden er sterven, samen met de dorpelingen.”
Sartes wist dat hij gelijk had. De dienstplichtigen hadden niet dezelfde training gehad als de harde soldaten in het leger. Bovendien hadden ze zo erg geleden in het leger, dat de meesten van hen waarschijnlijk doodsbang waren.
Hij zag Anka gebaren om stilte. Deze keer duurde het wat langer voor die kwam.
“Oreth heeft een punt,” zei ze.
“Natuurlijk ben je het weer met hem eens,” kaatste Hannah terug.
“Ik ben het met hem eens omdat hij gelijk heeft,” zei Anka. “We kunnen niet zomaar dorpen binnen rijden, roepen dat ze bevrijd zijn en dan maar op het beste hopen. Zelfs met de dienstplichtigen hebben we nog niet genoeg vechters. Als we op één plek samenkomen, geven we het Rijk een kans om ons te verpletteren. Als we alle dorpen afgaan, dan zullen ze ons één voor één afmaken.”
“Als er genoeg dorpen overtuigd kunnen worden om zich te verzetten, en ik mijn vader overhaal om huurlingen in te schakelen…” suggereerde Yeralt. Sartes merkte op dat hij zijn gedachte niet afmaakte. De zoon van de koopman had niet echt een antwoord.
“En wat dan?” vroeg Anka. “Hebben we dan wel genoeg mensen? Als het zo simpel was, dan hadden we het Rijk jaren geleden al omvergeworpen.”
“Dankzij Berin hebben we nu betere wapens,” merkte Edrin op. “Dankzij Sartes kennen we hun plannen. We zijn in het voordeel! Vertel het haar, Berin. Vertel haar over de zwaarden die je hebt gemaakt.”
Sartes keek om naar zijn vader, die zijn schouder ophaalde.
“Ja, ik heb goede zwaarden gemaakt, en de anderen hebben er voldoende gemaakt die ermee door kunnen. Ja, een aantal van jullie hebben nu wapenrustingen, en zijn dus beter beschermd. Maar ik kan jullie vertellen: het gaat niet alleen om het zwaard. Het gaat ook om de hand die het vast heeft. Een leger is als een mes. Je kunt het zo groot maken als je wilt, maar zonder een kern van goed staal, zal het bij de eerste testpoging al breken.”
Misschien, als de anderen meer tijd hadden doorgebracht met het maken van wapens, dan hadden ze begrepen hoe serieus zijn vader deze woorden nam. Maar Sartes kon zien dat ze niet overtuigd waren.
“Wat moeten we anders?” vroeg Edrin. “We kunnen deze kans niet aan ons voorbij laten gaan door hier te blijven zitten wachten. Ik zeg, laten we een lijst maken met dorpen om te bevrijden. Tenzij jij een beter idee hebt, Anka?”
“Ik wel,” zei Sartes.
Zijn stem klonk zachter dan zijn bedoeling was. Met een bonzend hart deed hij een stap naar voren. Hij had zichzelf verrast door zijn mond open te doen. Hij was zich er maar al te goed van bewust dat hij veel jonger was dan alle anderen hier. Hij had zijn rol vervuld tijdens het gevecht, hij had zelfs een man gedood, maar er was nog altijd een deel van hem dat het gevoel had dat hij hier geen recht van spreken had.